Hond & Media

Aan de bron van de latere problemen rond de American Pit Bull Terriër ligt het menselijke gegeven dat dit genre "horror" zo gruwelijk tot de verbeelding spreekt. In 1987 gaat Vrij Nederland op zoek naar hondengevechten in ons land. Het feit dat de journalisten van het blad tijdens hun speurtocht niet één hondengevecht of aanwijzing daarvan hebben kunnen vinden, weerhoudt ze er vervolgens niet van om twee kolommen uit te wijden over hondengevechten en daarbij allerlei mensen aan het woord te laten die ook wel denken dat het waar is. Kortom: een vermoeden wordt bevestigd door mensen die dat vermoeden ook hebben. Journalistiek is dit een onacceptabele manier van werken. Het imago van de pitbull is hiermee echter een feit.

In de periode hierna verschijnen er steeds vaker berichten in de dagbladen over pitbulls die buiten de vechtring bijten. Aan het eind van 1988 gaat zelfs meer dan de helft van het aantal bijtberichten in de krant over pitbulls, aldus de krantenknipselregistratie van de stichting Consument en Veiligheid. Onderzoek van dezelfde stichting in het najaar van 1988 leverde een lijst op van 508 slachtoffers van hondenbeten naar ras. Slachtoffers die zich bij een EHBO-post hadden moeten laten behandelen. Anders dan je op grond van de krantenberichten zou verwachten, bestond de lijst geregistreerde hondenbeten echter niet uit 254 pitbulls. Immers, als de helft van alle berichten daarover gaat, zou je ook een vergelijkbare hoeveelheid incidenten verwachten!
Voor journalisten is het dus interessanter om over bijtende pitbulls te schrijven, dan over bijtende herdershonden.
Daarmee is de slechte reputatie van de pitbull ten onrechte bevestigd voor het krantenlezend publiek.

Na de gruwelverhalen in de Europese pers mag de pitbullterriër zich plots in een enorme belangstelling verheugen. De pups zijn niet aan te slepen en in elke volksbuurt of betonwijk is er wel een quasi-fokker die in dit gat in de markt springt. Binnen enkele jaren loopt het aantal pitbulls op tot zo'n vijftienduizend. Daar zitten dan inmiddels duizenden tussen met een driedubbel probleem: een lukraak gefokte hond, met een maatschappelijk minder stabiele eigenaar én een omgeving, een kleine woonruimte drie hoog bijvoorbeeld, waar het gedrag van de hond in ieder geval al sneller kan ontsporen dan op een ruime boerderij met 6 hectare eigen grond. Sommige eigenaren kunnen hun hond niet hanteren en laten het beestje daarom de hele dag maar op het balkon zitten. De identiteit van de pitbull begint geleidelijk aan zijn - door de pers opgedrongen - imago in te halen.

Op 22 februari 1990 wordt de eerste peuter door een pitbull doodgebeten. De kinderen spelen in de keuken in gezelschap van de hond Tom. De kinderen krijgen ruzie en Tom verdedigt het eigen kind. Moeder doet boven de was en verneemt van haar kind dat de hond het vriendinnetje aan het bijten is. Zij grijpt niet in, maar haalt hulp. Die komt te laat, want het meisje overlijdt in het ziekenhuis aan haar verwondingen. Nederland reageert geschokt op het ongeluk. De impact van het ongeluk is echter niet los te zien van de lange "incubatietijd" van imago, naar identiteit naar issue. Precies hetzelfde ongeluk, maar zonder "incubatietijd" heeft namelijk nagenoeg geen impact. De Sint Bernard die in augustus 1991 een peuter doodbeet, haalde de krant, maar daar bleef het dan ook bij.
De eenzijdige en gekleurde belangstelling van de pers hebben er uiteindelijk toe geleid dat de pitbullterriër in 1993 door de Regeling Agressieve Dieren in Nederland werd verboden.

Bij gebrek aan stof tot schrijven stortten de journalisten zich daarom op enkele andere stoere hondenrassen, steevast gepresenteerd als "Opvolgers van de pitbull". Waarbij de kop van de reportages meer dan eens werd ingeluid door de retorische vraag: "Nóg erger dan de pitbull?". Daarmee is de toon gezet voor een herhaling van de media-hetze en heeft de pers wellicht opnieuw een zichzelf vervullende profetie gecreëerd.

Bron: Issues Management, door drs. Eliaan Schoonman

terug